Vijf vragen aan Cees Vervoorn, praktijkman met een visie op Topsport en Onderwijs die vindt dat Nederland een bid moet uitbrengen voor de Olympische Spelen in 2028.

5 vragen aan Cees Vervoorn, lector Topsport & Onderwijs 4 april 2017

Cees Vervoorn is al een leven lang werkzaam in de sport. Als topzwemmer deed Vervoorn in 1976, 1980 en 1984 mee aan de Olympische Spelen. Hij was nationaal recordhouder op de 100 en 200 meter vrije slag, en op de 100 en 200 meter vlinderslag. Vervoorn is afgestudeerd bewegingswetenschapper en in 1992 gepromoveerd op hormonale reacties tijdens zware training en inspanning. Sinds 2010 is hij werkzaam als lector Topsport en Onderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam/Universiteit van Amsterdam. In die functie probeert hij bruggen te slaan tussen de sport, het onderwijs en de overheid. Vervoorn heeft diverse nevenfuncties. Hij is onder meer lid van de bestuursraad van AFC Ajax en voorzitter van NLCoach. Voorts is hij van mening dat Nederland een bid moet indienen voor de Olympische Spelen van 2028. “Dat moet ik in ieder interview minstens één keer gezegd hebben”, lacht hij.

door: Leo Aquina | 4 april 2017

  1. We hebben net Tweede Kamer-verkiezingen achter de rug en de demissionaire minister van sport onderhandelt over een nieuw kabinet. Wat zou jij dat nieuwe kabinet willen meegeven als het om sport(wetenschap) gaat? En vind je dat er een aparte minister van sport moet komen?
Cees Vervoorn

“Als boegbeeld van de onderzoeksroute Sport en Bewegen op de nationale wetenschapsagenda hoop ik natuurlijk op meer middelen voor de wetenschap. Vanuit dat perspectief is een coalitie van VVD, CDA, D66 en Groen Links niet verkeerd. Voor mij is onderwijs het belangrijkste thema. Als je de maatschappij en de generaties van de toekomst vorm wil geven, draait het om onderwijs, onderwijs en onderwijs.”

“De nationale wetenschapsagenda is opgesteld omdat de overheid de wetenschap vroeg om een plan. Het Nederlandse volk kreeg de kans om vragen te stellen aan de wetenschap. Daar kwamen 12.000 vragen uit voort, die teruggebracht zijn tot 140 kernvragen. Wat wil de samenleving nu eigenlijk van de wetenschap? Op basis van de 140 kernvragen heeft de Nederlandse wetenschap op jaarbasis structureel één miljard euro extra nodig voor onderzoekinnovatie. Ik hoop dat het nieuwe kabinet gehoor geeft aan die wens.”

“Vier en acht jaar geledenn dat was de afgelopen verkiezingen echt anders. Dat

“Als het nieuwe kabinet inderdaad voldoende budget vrijmaakt voor de nationale wetenschapsagenda, profiteert de sportwetenschap uiteraard mee. Ik vind het mooi om te zien dat de waarde van sport in de politiek steeds meer wordt erkend. Vier en acht jaar geleden stond er in de partijprogramma’s vrijwel niets over sport en dat was de afgelopen verkiezingen echt anders. Dat is winst.”

“Of er dan ook een aparte minister van sport moet komen? Het gewicht van een minister wordt politiek altijd afgemeten aan het budget van zijn of haar ministerie. Zorg is groot, onderwijs ook. Dat zijn dus zware ministeries. Sport zou in dat opzicht een klein ministerietje zijn. De vraag is of zo’n minister erg veel heeft in te brengen. Misschien is het een goed idee om een soort minister zonder departement aan te stellen, die aanschuift bij alle andere ministers om vanuit de sport mee te denken over wat er moet gebeuren. Maar ik weet helemaal niet of dat überhaupt wel mogelijk is. In landen waar de sport goed is geïntegreerd in de maatschappij, valt het onder het departement onderwijs en niet zoals bij ons onder gezondheid. Voor beide is wat te zeggen, maar met onderwijs kun je de maatschappij van de toekomst vormgeven.”boegbeeld van de nationale wetenschapsagenda voor de sport heb ik de posiuitdaging om mensen met elkaar te verbinden

  1. Wat zijn je belangrijkste doelen als lector en waarom heet het lectoraat Topsport & Onderwijs? Zou dat niet simpelweg Sport & Onderwijs moeten zijn?

“Mijn rol als lector is verbindend en verdiepend op het snijvlak van sport en onderwijs. De sportwetenschap heeft de afgelopen jaren grote stappen gezet als het gaat om samenwerking. Vroeger was er altijd sprake van concurrentie, maar nu hebben de verschillende instellingen echt de handen ineen geslagen. Er is bijvoorbeeld een gezamenlijke onderzoeksagenda opgesteld. Die verbindingen zijn enorm belangrijk, vooral omdat de sportwetenschap multidisciplinair is.”

“Neem een onderwerp als ‘veilig sportklimaat’. Dat kan je juridisch bekijken, maar ook sociaalwetenschappelijk of vanuit de psychoanalyse, noem maar op. Als boegbeeld van die nationale wetenschapsagenda voor de sport heb ik de positie en de uitdaging om mensen met elkaar te verbinden. Niet alleen de verschillende universiteiten, maar ook het HBO en het WO. We moeten de handen echt ineen slaan. Binnen die samenwerking moet je natuurlijk wel zorgen dat mensen elkaar scherp blijven houden. Je moet interne concurrentie of het interne debat, met name op inhoud, altijd stimuleren.”

“Wat betreft de titel van mijn lectoraat, ja, het zou inderdaad logischer zijn als het Sport & Onderwijs was. Ik zie bij mezelf een verschuiving van de pure verbondenheid met topsport naar een fascinatie voor de kracht en waarde van sport in alle geledingen. Wat sport kan betekenen voor buurten en wijken, voor mensen met een handicap, voor de maatschappij in het algemeen. Sport is zoveel meer dan heel hard zwemmen over honderd meter. Dat neemt niet weg dat ik nog altijd eerst het sportkatern pak als ik de krant lees. Topsport zit in mijn DNA en dat houdt altijd mijn interesse. Een reden om de naam van het lectoraat niet te veranderen is het internationale verkeer. Topsport opent deuren. Ik was onlangs in Japan en dan is mijn olympische verleden vaak een mooie manier om interesse te wekken en gesprekken te starten. De titel Elite Sport & Education heeft dan toch net iets meer impact dan Sport & Education.”elijk wil ik ernaartoe dat een sportwetenschapper de Spinozaprijs wint”

“Voor de toekomst is een van mijn voornaamste doelen als lector het stimuleren van de mogelijkheid voor studenten om hun opleiding te combineren met topsport, niet alleen binnen de HvA, maar op landelijk niveau. Het zou prachtig zijn als Nederland bekend komt te staan als een land waar je studie en topsport succesvol kunt combineren. Maar mijn ambitie voor de sportwetenschap is breder. Uiteindelijk wil ik ernaartoe dat een sportwetenschapper de Spinozaprijs wint.”

  1. In juni 2014 ben je drie jaar voorzitter van NL Coach en loopt je zittingsduur af. Ben je beschikbaar voor een nieuwe periode van drie jaar en wat wil je met NLCoach bereiken?

“We zijn op dit moment als NLCoach in gesprek met VWS en NOC*NSF om de organisatie in een nieuwe vorm te gieten. NLCoach is gebaseerd op een verouderd businessmodel, een vereniging met leden die contributie betalen. Het is maar zeer de vraag of dat past bij de dynamiek die het coachvak vandaag de dag definieert. We willen met alle betrokken partijen kijken of we in plaats van die oude organisatie een community kunnen vormen, waardoor we meer op maat gesneden service aan onze leden kunnen geven dat nu het geval is.”

“We moeten ons realiseren dat onze bedrijfsvoering kwetsbaar is. We moeten op zoek naar nieuwe partnerships die grotere impact hebben op de doelgroep dan wat we nu doen. Er komt een hele nieuwe generatie coaches aan. Er zijn nu al hockeycoaches die hun boterham verdienen door bij drie of vier verschillende clubs training te geven. Dat zijn mensen die niets hebben met de oude verenigingsstructuren. Zij vergaren hun kennis via internet. Voor die coaches zijn wij er ook. Zij moeten ons ook zien te vinden. Daarom moeten we nadenken over gedifferentieerde lidmaatschappen.”

“Daarnaast gebiedt de waarheid ook om te zeggen dat we veel sponsors zijn kwijtgeraakt, zoals dat ook bij NOC*NSF het geval is. Sponsors geven niet meer zomaar geld omdat ze iets leuk vinden. Ze willen er iets voor terug en ze willen de mogelijkheid om hun sponsorschap te activeren. We moeten met NLCoach dus ook serieus op zoek naar een nieuwe propositie. Als ik de ruimte krijg om deze omzettingen vorm te geven, ambieer ik zeker een nieuwe termijn. Als dat niet het geval is, heb ik er in ieder geval minder plezier aan.”

“Er is een grote groep mensen die sport simpelweg niet ziet zitten, dat kun je niet negeren”

  1. Je was altijd een hartstochtelijk voorstander van het Olympisch Plan en zonder dat de vraag ter tafel kwam, zei je al dat je nog altijd vindt dat Nederland in 2028 de Spelen moet organiseren. Je schreef eerder dat de believersin sport vooral de non-believersover de streep moeten trekken. Kun je dat uitleggen?

“Je ziet, in het sportdebat, te vaak dat er zalen vol zitten met mensen die het allemaal met elkaar eens zijn. Preken voor eigen parochie en vooral om elkaar nog meer te overtuigen van hetgeen ze al lang delen. Je moet juist de oppositie zoeken. Je moet een brede maatschappelijke discussie voeren die ruimte laat voor alle geluiden. Er is een grote groep mensen die sport simpelweg niet ziet zitten, dat kun je niet negeren. Ik heb wel bijeenkomsten meegemaakt over de kracht van sport waarbij er reactie kwam uit de zaal: ‘Jullie zijn het allemaal wel heel erg met elkaar eens, maar ga eens praten met iemand uit de verpleging, of met iemand uit een achterstandswijk.’ Dan krijg je een heel andere discussie en je krijgt heel andere antwoorden op de vraag waar het geld naartoe moet en hoe het beste in te zetten.”

“We moeten niet alleen willen laten zien wat sport kan betekenen, we moeten ook echt met de tegenstanders in gesprek. Met de lezingenreeks ‘De Kracht van Sport in de Wijk’ zien we dat. Believers denken dat sport altijd positieve invloed heeft, maar de praktijk is weerbarstig. Er zijn ambtelijke problemen, vakinhoudelijke kennis ontbreekt, onbekendheid van de verschillende organisaties met sport maakt het moeilijk. Als je sport in dat soort wijken een prominente plaats wil geven, moet je alle partijen een rol gunnen en je moet vooral de non-believers scherp laten oordelen. Geloof heeft nu eenmaal de neiging niet kritisch te zijn en dit is ook een soort geloof. Ik zou graag willen dat iedereen zoveel plezier uit de sport haalt als ik mijn hele leven heb gedaan. Maar niet iedereen wil dat, en daar moet je ook je ogen en oren voor open houden.”

“Wij zouden een bid kunnen indienen dat de Olympische Spelen terugbrengt naar de menselijke maat”

  1. Jouw lectoraat is mede ingegeven door het Olympisch Plan 2028. In 2010 zei je daarover onder meer: “Om van Nederland een echt sportland te maken en alle gebieden op olympisch niveau te krijgen, is het verbreden en verdiepen van kennis nodig.” Wat is er nog van die olympische ambitie over?

“De kracht van het Olympische Plan was niet om de Spelen naar Nederland te halen, maar om Nederland op allerlei vlakken naar een hoger niveau te tillen. Ik begreep de politieke keuze vier jaar geleden om het Plan af te schieten, maar het was wel een grote teleurstelling. Toch is het plan de afgelopen vier jaar blijven borrelen. We hebben veel internationale evenementen gehad in Nederland. Op dat gebied hebben we echt een goed track record. Er is ook veel meer samenwerking. De steden staan tegenwoordig niet meer tegenover elkaar, maar werken juist in de sport ook op allerlei gebieden samen.”

“We zitten inmiddels in een heel andere situatie dan vier jaar geleden, maar wat bij een mogelijk olympisch bid wel zorgen baart is het feit dat er voor de Spelen van 2024 nog maar twee kandidaten zijn (Parijs en Los Angeles, red.). De andere hebben zich teruggetrokken. Tien, twintig jaar geleden waren er wel acht of tien kandidaten. Ik schrik me ook rot als ik naar foto’s kijk van de accommodaties in Rio een half jaar na dato.”

“Wij moeten als Nederland laten zien dat het anders kan. Waarom een nieuw zwembad bouwen met een capaciteit van 25.000 toeschouwers, dat daarna nooit meer wordt gebruikt, terwijl we in Eindhoven al een prachtig bad hebben liggen? Ook daarom moeten we in gesprek met de non-believers. We moeten hen laten zien dat we de terechte kritiek serieus nemen en er ook echt iets mee doen. Wij moeten ons in een mogelijk bid niet laten leiden door megalomane ideeën. Wij zouden een bid kunnen indienen dat de Olympische Spelen terugbrengt naar de menselijke maat. En als de internationale sportwereld dat afwijst, ook goed. Dan heb je het in ieder geval wel geprobeerd.”

Dit artikel is ook te downloaden